Nonkel Zjef

Ik hoop dat, net als de vergeten groenten, ook de accordeon aan een remonte bezig is. 

Ik hou van accordeon muziek. Ooit heb ik in de kerk van Westmalle een klassiek concert mogen bijwonen van een orkest dat uitsluitend uit accordeons bestond.

Ongelooflijk was het. Ik wist niet dat dit instrument, dat door mij veelal bekend stond voor zijn schlager- en kermismuziek, in staat was tot het brengen van de muziek van klassieke grootmeesters.

En toch was het zo. Ik – en met mij het hele gezelschap – hebben genoten van deze virtuozen. 

Ik kende ook wel de Latijns Amerikaanse muziek waar de accordeon, de melodeon, de bandoneonist, de concertina en het harmonium prachtig harmoniëren.

Tango’s kan je je toch niet voorstellen zonder de klanken van de accordeon.

Maar als je zo oud bent als ik ken je zeker nog de accordeonisten die op kermisdagen jong en oud lieten dansen op oeroude volksdeuntjes en melodieën die nu bijna vergeten zijn.

Twee ogen zo blauw… Hij zit zo geiren op zijn duivenkot… Ge hebt zwarte knieën Melanie… Over vijfentwintig jaar…  Que sera, sera… Ons Jefke is getrouwd en hij zit in de misérie… Ach was ik maar bij moeder thuis gebleven… En herre gij meubelen en herre gij huisgerief… Geef het orkest een pint bier… Als de klok van Arnemuiden… En dan draaien we rechts om, links om, op die oude klokkenwals uit de Jordaan… Johny, zing een liedje voor mij alleen…

Ach, wat hebben we vaak gedanst op de accordeon muziek van onze nonkel Zjef, Zjef Monten, broer van mijn moeder. Vaak trad hij alleen op, bovenop een biljart en soms had hij ook een drummer bij zich, zijn “zjasser” noemde hij die.

Maar ach, nonkel Zjef is er niet meer. Wie weet wat er van zijn instrument geworden is? 

Ik hoorde dat verschillende van zijn nazaten het instrument toch meester zijn.

Gelukkig, maar of zij dan bereid gevonden worden om de hele avond van bovenop een biljarttafel een gans café aan de draai te krijgen???

Ik weet het niet. Het is zwaar werk, dat zeker, en ik vermoed dat de elektronica een handje helpt.

Andere instrumenten, zoals mijn eigen keyboard, hebben de accordeon klanken in zich. Een simpele druk op een knopje volstaat en je verandert je pianoklanken naar accordeon-, bandoneon-, concertina- of harmonium klanken.

En ook dat is mooi hoor, als het gebracht wordt door betere muzikanten dan ikzelf.

Door Marc Stans bijvoorbeeld. Marc is niet alleen muzikant maar voor mij ìs hij gewoon muziek! Hij bespeelt verscheidene instrumenten maar als hij de accordeon vastneemt lopen de rillingen over mijn rug. En niet alleen bij mij!

Gelukkig! Ik ben dankbaar voor mensen als Marc in mijn kennissenkring.

Maar de allereerste die me zo bekoorde, de eerste die waarschijnlijk het zaad van mijn liefde voor die muziek zaaide, was en blijft voor altijd nonkel Zjef.

Als je ging trouwen in de zestiger, zeventiger jaren moest je eerst een vat geven, een “drinkes”. Zo noemde men dat toen al was vaak één vat niet genoeg. Het was een beetje om tegemoet te komen aan die mensen die buiten de lijst van de bruiloftsgasten vielen.

Buren, vrienden van de jeugdgroepen, schoolkameraden, …

Maar het waren knalfeesten, vergelijkbaar met de aprés-ski-feesten nu, maar dan met één tiende van de decibels.

En het waren walsen en polka’s die gespeeld werden. En vaak ook “nen trage” om toekomstige koppeltjes de kans te geven elkaar te voelen bewegen en vaak, als het licht dan gedempt werd, om stiekem een zoentje te stelen.

Er waren ook “boegies”, onder invloed van de Amerikaanse rock and rolls. 

One, two,three o’clock, four o’clock rock!

Maar dat vereiste toch wat meer danstalent.

Ach nonkeltje, wat hebben we jou vaak “Mexico” van de Zangeres Zonder Naam laten zingen. Alleen om de bravoure van jouw show te zien. En natuurlijk ook om je te plagen want steeds was je volgende nummertje “Geef het orkest een pint bier, een pint bier, een pint bier…”

Ambiance was toen héél gewoon. Ik zie de ouders van mijn moeder nog walsen, buik aan buik, links om én rechts om. Wie kan dat nog?

In mijn eenzame periode nam ik ooit de trein naar Antwerpen en ik kon me verliezen in het verdwalen in eenzame drukte. 

En ooit, ik herinner het me nog goed, kwam ik in het stadscentrum, met reeksen terrasjes en parasollen. Het geroezemoes verstomde voor mij want ergens, dichtbij, hoorde ik de betoverende klanken van een accordeon.

Zie ik de lichtjes van de Schelde, dan gaat mijn hart wat sneller slaan. Ik weet dat jij op mij zal wachten en dat jij aan de kaai zal staan…

Ik heb een vrije stoel gevonden en ik heb genoten. Die straatmuzikant had nonkel Zjef kunnen zijn. Het repertoire klopte in elk geval. 

Een biertje later heb ik geld in zijn hoed gedaan en hem bedankt. 

Ik ben hem gevolgd naar een terras honderd meter verderop waar de man opnieuw begon aan zijn deuntjes. Mooi.

Als het tijd was om met de hoed rond te gaan ben ik naar hem toegestapt en heb ik hem uitvoerig bedankt. We hebben wat staan keuvelen over zijn muziek, over het verloren gaan van zijn generatie, over het gebrek aan belangstelling in accordeon muziek. Een fijne man! 

Ik merkte duidelijk dat hij blij was met mijn interesse en hij vroeg mij of ik een verzoeknummertje had. En ja hoor… hij heeft het gespeeld: “Le temps des cérises” van Bobbejaan Schoepen. 

Ik kan het me verbeeld hebben maar een bengelde een traan aan zijn gesloten ogen.

Dankjewel lieve accordeonist, dankjewel Bobbejaan Schoepen, dankjewel nonkel Zjef.

Groetjes vanuit mijn hartje dat opgewonden klopt bij de herinnering aan deze kleurrijke nonkel van ons en aan zijn versie van “Mexico”;

vanuit mijn zieltje dat blij is met herinneringen aan die Antwerpse muzikant en blij met de onvoorspelbare herinneringen, om dromen te laten uitkomen

en aan mijn buikje dat zich maar al te goed de vele glazen bier herinnert die we hierbij dronken, geflankeerd met grijze boterhammen met kipkap en mosterd.

Stevige kost om vol te houden.